Meer aandacht voor… Het Onze Vader en de Drie-eenheid (Terug)


In het Nederlands Dagblad van 26 maart j.l. stond een artikel van Reina Wiskerke over de werkgroep ‘Gods Geest werkt’ na een gesprek met twee leden, Gert van den Bos en Margreet Balkenende.

Wiskerke ziet in de werkgroep een uiting van ‘een verlangen naar charismatische vernieuwing in de Gereformeerde Kerken (vrijgemaakt)’ die, volgens haar, ‘gerelateerd kan worden aan culturele ontwikkelingen.’ Dat laatste werkt zij niet uit, maar stipt het volgens mij aan in het gedeelte over ‘meer en diepere aanbidding van God’. Zij citeert de werkgroepleden: ‘deze tijd vraagt om een taal van deze tijd. Jongeren komen moeilijk in aanbidding in een traditionele dienst. Ze hebben hun eigen taal nodig.’ Is dat de taal van ‘stiltes en aanzwellende muziek’, zo vraagt zij kritisch en noteert als reactie: ‘Gevoelens horen erbij… Zowel stilte als aanbiddingsmuziek zijn … daarom inzetbaar om onder de indruk te komen van God.’ Deze ‘diepere aanbidding van God’ is één van de thema’s. Verder wil de werkgroep dat er ‘meer verwacht wordt van de werking van Gods Geest in het leven van de gelovige’. En zij stellen dat: ‘de Geest ook meer ruimte krijgt als kerkdiensten niet per se volgens vastgelegde patronen moeten verlopen.’ De thema’s zijn positief geformuleerd. De keerzijde is indringend. Is dit verlangen er vanwege: 1. oppervlakkigheid in aanbidding; 2. kleingeloof (Mat. 6:30); 3. het ‘uitdoven van de Geest (1 Tess. 5:19)’ door een beheersingsdrang in het kerkelijk leven? Deze punten wil ik niet gemakkelijk terzijde schuiven, maar bespreking vraagt meer ruimte dan ik hier heb. Vooral, omdat ik ervoor wil waken categoriale uitspraken te doen als: ‘we lopen vaak harder naar de huisarts dan naar God,’ zoals Gert van den Bos in het artikel van Wiskerke zegt. Deze uitspraak trof mij pijnlijk en doet geen recht aan veel christenen die bij ziekte de handen vouwen, zich ook bij de huisarts in handen van God weten, bezoek krijgen van de ouderlingen en zich omringt weten door een biddende gemeente. Ik wil hernieuwde aandacht vragen voor het Onze Vader.


Samengevat zijn de drie thema’s van de werkgroep: aanbidding van God, kracht van God, ruimte voor God. Alle drie zijn zij belangrijk. Het is boeiend te ontdekken dat deze thema’s kort en krachtig naar voren komen in het gebed dat Jezus zijn discipelen heeft geleerd, Het Onze Vader. Daarvan heeft Hij na zijn Hemelvaart gezegd: ‘leert hen onderhouden, al wat Ik u bevolen heb’ (Mat. 28:19). Dat geldt ook het Onze Vader. Dit gebed is één van aanbidding: ‘Onze Vader die in de hemelen zijt. Uw naam worde geheiligd.’ Verder plaatst het Onze Vader de gelovigen in de ruimte van God, die het hele leven bestrijkt. ‘Uw Koninkrijk kome en Uw wil geschiede in de hemel alzo ook op de aarde.’ Tenslotte getuigt dit gebed van de kracht van God, over heel het leven: ‘Geef ons heden ons dagelijks brood, en vergeef ons onze schulden… verlos ons van de boze…. Want van U is .. de kracht… tot in eeuwigheid.’ De Heidelbergse Catechismus werkt dit in zondag 45-52 uit.

Een herbezinning op de plaats van het Onze Vader in de persoonlijke en gezamenlijke spiritualiteit is volgens mij geen luxe, vooral als er een sterk verlangen is naar God. Deze herbezinning bedoel ik niet alleen verstandelijk, theoretisch. Het gaat er mij om dat dit gebed uit het hart van ons als gelovigen opkomt, als een werkelijk verlangen naar heiliging, de vrede van God, gehoorzaamheid aan zijn wil, afhankelijkheid, vergeving en verlossing. Daarbij past een vast vertrouwen: God heeft verhoord, want van Hem is het Koninkrijk en de kracht en de heerlijkheid tot in eeuwigheid. Amen! Een doorleefd gebed dus. Het heeft aan de ene kant eenvoud en aan de andere kant een onuitputtelijke diepgang. Eenvoud: ieder kan het leren, zonder omhaal van woorden. Onuitputtelijke diepgang: de consequenties van dit gebed veranderen ons leven compleet, het is de totale overgave van het kind aan de Vader. Dit gebed bindt de gelovigen samen in afhankelijkheid (1), plaatst ons in de alledaagse werkelijkheid (2) en richt ons op de Drie-enige God (3).


(1) Het Onze Vader is een gezamenlijk gebed in afhankelijkheid. Het is namelijk doortrokken met ‘ons’: ‘Onze Vader’, ‘ons dagelijks brood’, ‘onze schulden’ en ‘verlos ons van de boze.’ Die afhankelijkheid bindt jongeren en ouderen samen en is onze gezamenlijke taal.


(2) Jezus gebruikt rond dit gebed voorbeelden uit het dagelijkse leven. Zo integreert Hij het gebed met onze dagelijkse leefwereld: ‘ziet naar de vogelen’, ‘let op de leliën’ ‘en indien nu God het gras … zo bekleedt’ (Mat. 6:26-30; Luk. 11:5-12). Hij tekent vanuit de schepping en de vaderkindrelatie de grootheid en goedheid van onze hemelse Vader. Komt het verlangen naar ‘meer van de Geest’ en het ervaren van zijn aanwezigheid niet voort uit de kloof tussen die dagelijkse ervaring, waarin ik de aanwezigheid van God niet meer zie, en een oprecht verlangen daarnaar? De eredienst wordt dan de plaats die mij uit moet tillen boven de dagelijkse werkelijkheid, een plaats waar ik de aanwezigheid van Gods Geest (nog wel) ervaar. Wanneer de vormen mij niet dat gevoel geven is het risico dat ik eenzaam wordt in het geloof, terwijl heel de schepping om mij heen wijst op Hem.


(3) Tenslotte heeft Jezus dit gebed bedoeld als gebed om de Geest (Luk. 11:13). Door de Geest van God, heiligen wij de naam van onze Vader, komt zijn Koninkrijk over ons, etc. Zo verbindt dit gebed ons met de Drie-enige. Wij bidden tot de Vader. Hij zendt ons zijn Geest. Die brengt ons door Christus tot de Vader en maakt ons aan de Zoon gelijk tot eer van de Vader. Keer op keer wijst Jezus op de grote eenheid die er is tussen de Vader, de Zoon en de Geest. Zij dragen de ene NAAM (Mat. 28:19). Wanneer iemand Vader dankt voor zijn herstel na een ziekenhuisopname is dat evenzeer een danken voor de kracht van God!


Mijn oproep is. Laten wij bij alle verlangen naar ‘meer’ ons bezinnen op de plaats die Jezus aan het Onze Vader heeft gegeven.